De empirische cyclus
Eenvoudig gezegd betekent de empyrische cyclus, dat je pas conclusies trekt over je ideeën over de werkelijkheid, nadat je bewijzen hebt gevonden dat je ideeën ook werkelijk kloppen.In moeilijke worden heet dat induceren, onderzoeken en deduceren. Waarbij induceren betekent dat je op basis van wat je ziet of ervaart in je leven of wereld een idee ontwikkelt over hoe iets werkt. Het is net als de hertog ijs reclames, waarbij kinderen vertellen hoe zij denken dat bepaalde soorten ijs tot standkomen. Als volwassene weet je dat hun ideeën niet kloppen. Maar het is wel induceren wat het kind doet. Op basis van bepaalde specifieke kennis een idee ontwikkelen over hoe ijs gemaakt wordt.
Het onderzoeken van onze ideeën, doen we zelden zo uitgebreidt als in de wetenschap met al haar regels. Maar we onderzoeken ze vaak wel onbewust. Als we namelijk informatie tegenkomen, die niet klopt met onze ideeën, dan passen we onze ideeën aan. Hoewel we allemaal de ervaring hebben, dat sommige mensen stijfkoppig vast blijven houden aan hun eigen ideeën over iets, ondanks de nieuwe informatie die je ze geeft. Maar een goed voorbeeld van dit aanpassen van onze ideeën is het zoeken van de weg. Als we het idee hebben ergens naar rechts te moeten en we zien dat het een doodlopende weg is, dan gaan we toch echt rechtdoor. We lopen niet de doodlopende weg in en blijven dan aan het eind staan wachten tot het niet langer een doodlopende weg is.
Deduceren kennen we ook al onbewust. Deduceren betekent het bijzondere concluderen op basis van het algemene. Een eenvoudig voorbeeld hiervan is het gebruiken van deuren. We kennen allemaal de algemene regels die gelden voor deuren. Ze zitten aan één kant vast aan de muur en aan de andere kant zit een klink die je gebruikt om de deur open te maken. Nu hoeven niet alle deuren op elkaar te lijken, om gebruik te kunnen maken van alle deuren. Dus op basis van onze algemene kennis van deuren, weten we hoe we specifieke deuren moeten gebruiken.
Maar wat is dan het verschil tussen de empirische cyclus en wat we iedere dag onbewust doen?
De wetenschappelijke empirische cyclus
Zo maakt een wetenschapper eerst een hypothese, waarin het idee zo geformuleerd wordt, dat het te onderzoeken is. Hij deduceert bijvoorbeeld op basis van een algemene regel over bollen, dat de wereld waarop hij leeft een perfecte bol is. Dat doet hij niet door te zeggen: De wereld is bolvormig. Maar in de vorm van: Als je in een rechte lijn over het oppervlak van een perfect bolvormige wereld beweegt, dan kom je uiteindelijk op je beginpunt terug. En in welke richting je ook beweegt, alle lijnen zijn even lang.
Vervolgens formuleert de wetenschapper ook nog een tegengestelde hypothese, die de hypothese die hij wil bewijzen weerlegt. Bijvoorbeeld: Als je in een rechte lijn beweegt over een schijnbaar bolvormige wereld, dan kom je uit bij je beginpunt. Maar de lengte van een lijn is afhankelijk van de richting die je kiest.
De volgende stap in de empirische cyclus is het uitwerken van de hypothese in een onderzoek. Hoe ga je bewijzen of wat je denkt ook werkelijk klopt met wat je ziet? Met welke instrumenten ga je werken? Hoe ga je registreren wat je doet? Hoe ga je er over rapporteren? Hoe ga je analyseren wat je vindt? Met wie ga je samenwerken?
Na afloop van je onderzoek ga je vervolgens zitten nadenken over wat je gevonden hebt. Je gaat inductie plegen op basis van de gegevens die je hebt verzameld. Je gaat dus een algemene regel formuleren op basis van je onderzoeksgegevens. In het geval van je eigen wereld bijvoorbeeld de conclusie dat het niet om een perfecte bol gaat, maar dat er nog meer onderzoek nodig is om de precieze vorm vast te stellen.



]

